GESCHIEDENIS


Home    Introductie    Onderhoud    Foto archief    Geschiedenis

Specificaties    Links    Contact    Gastenboek    In English


Sinds 1950 werd in Groot-Brittanië de solo-les methode verbannen en er moesten dus tweezitters komen. De T.21B Sedbergh werd veel ingezet maar was eigenlijk te duur voor de gemiddelde club. De Sedbergh was al beschikbaar in 1947. De stemmen gingen dat een tweezitter beter een tandemzitter kon zijn, zodat de pupil makkelijker op de tweezitter solo kon vliegen. Het voordeel van naast elkaar zitten is dat de instructeur makkelijk kan zien wat zijn pupil doet en ook het praten gaat veel gemakkelijker en vice versa. Enkele personen vonden trouwens toch al dat de instructeurs teveel praatten. De instructeur hoefde in de tandemzitter alleen het hoognodige door te geven, en de pupil had al na een aantal starts het idee dat hij alleen vloog.

In 1948 had Slingsby alle hoofdcomponenten voor een nieuwe goedkope tandemzitter beschikbaar. De originele Type 8 Tutor eenzitter vloog al in 1937 en met kleine modificaties was de Tutor of Cadet Mark 2 als solo leskist geschikt. De Type 29 Motor Tutor, waarvan er 2 gebouwd waren in 1948/1949, gebruikte de Tutor vleugels en staart met een gemodificeerde romp. In de Motor Tutor zat de vlieger direct onder de vleugel. De motor was in de neus gebouwd. Het achterste gedeelte van de romp was een met linnen bedekt houten frame zoals ook in de T.21 gebruikt werd.
Het was dan ook erg makkelijk om de romp van de Motor Tutor om te bouwen waarbij in de plaats van de motor een leerling deze plaats zou innemen. Het was bijna mogelijk om de neus ervan af te zagen en de neus van de Tutor er aan te “plakken”. Het enige is dat de voeten van de instructeur ervoor zorgden dat de romp naast de leerling wat breder werd. Het wiel en de schaats werden van de Tutor gebruikt en diverse mallen konden gebruikt worden van de Motor Tutor. Dit resulteerde in 1949 dat het prototype van de T31 vloog. Behalve de nieuwe romp kregen de vleugels van de T31 ook een halve graad V-stelling. De cockpits bleven open, met smalle windvangertjes. De op dit moment gebouwde T31's hadden nog geen spoilers of kleppen. De verwachte prijs was ongeveer 60% van de kosten van de T.21.

Twee vliegclubs, de Derbyshire en Lancashire Gliding Club, welke opereerden van Camphill hadden het idee een tandemzitter aan te schaffen. Het vliegveld bestond alleen uit meerdere kleine veldjes afgescheiden door stenen wallen waarover heen gras was gelegd. De behoefte voor een robuuste en makkelijk repareerbare tweezitter behoeft geen verdere uitleg. Het prototype van de T.31 zou hier getest worden! De eerste vlucht op Camphill was op 23 juli 1949, drie dagen later vloog de eerste pupil al solo!

Het testvliegen voor certificatie werd voornamelijk gedaan door de Derby Club`s chef instructeur Gerard O. Smith op Camphill en andere velden om zo lier en sleepstarts te kunnen maken, de controle en zwaartepuntbepalingen te doen. Duidelijk werd dat de T.31 makkelijk te handelen was ondanks het feit dat de kist niet uitgevoerd was met een trimvlak of trimveer. Als de leerling zwaar genoeg was om het zwaartepunt naar het maximaal voorste punt te brengen was een constante trekkracht van 4 pond op de knuppel nodig om 40 knopen te vliegen. De overtreksnelheid werd vastgesteld op 33 knopen, bij maximaal startgewicht. Een volledige vrille was zelfs met het zwaartepunt op de achterste limiet bijna onmogelijk, het maximaal aantal slagen was 1½. De enige afwijking was het slippen. De T.31 kan een slip vasthouden met de romp 40° gegierd maar met de vleugels horizontaal en de rolroeren neutraal. Zoals verwacht waren de eigenschappen van de T.31 vergelijkbaar met de Tutor en de Cadet.

Certificatie werd afgerond en de T.31 werd in productie genomen. Het prototype kreeg van de BGA (British Gliding Association) nummer 667 in 1951 en werd genoemd de T.31A. De volgende modellen werden de T.31B's, deze hadden spoilers aan de bovenkant van de vleugel en de struts (steunen van de vleugel naar de romp) kregen een kleine bijkomende strut voor het slepen, om vibraties in de voorste strut te voorkomen bij bepaalde snelheden en belading.
De T.31B werd met grote enthousiasme ontvangen in Engeland en er werden op defensie contract 131 Cadets TX Mk. 3 gebouwd, geschilderd in officiële militaire kleuren met roundels en vette letters met AIR CADETS op de beide voorkanten van de romp. Dat de T.31 favoriet was blijkt wel dat één van de T.31's ruim 120.000 starts (van ongeveer 3 minuten elk) maakte met een totaal van 6000 uur. De overgebleven Cadets Mk. 3 werden na gebruik van de luchtmacht verkocht aan privé-vliegers, zowel in Groot-Brittannië als buitenland voor restauratie.
Niet-defensie clubs in Engeland waren niet erg enthousiast over de T.31's ondanks de lagere kosten. De clubs vonden dat er naast starten, landen en thermiekvliegen ook mee overland gevlogen moest kunnen worden. De T.21 was daarin beter dan de Tutor en de T.31. Verkoop op de particuliere markt was vrij laag voor de T.31, de meeste werden geëxporteerd. Van de 69 voor particulieren gebouwde T.31's ging het grootste gedeelte naar landen als Pakistan, Birma, Jordanië, Libanon, Israël en Australië. Zes werden in kitvorm naar Nieuw-Zeeland gestuurd.
Als trainer ontworpen werd er nooit verwacht dat er met de T.31's grote overlands of hoogtevluchten gemaakt zouden worden. Toch werd er in Australië in 1956 tijdens de Nationale Australische Kampioenschappen een vlucht gemaakt door een Royal Australian Navy T.31 van 93km. Deze T.31 was echter wel voorzien van gesloten cockpits. Daarnaast werd in Nieuw-Zeeland een vlucht gemaakt die tevens het nationale hoogterecord brak met een hoogte van 5.700m (19,000ft). Ook werden meerdere vluchten uitgevoerd waarbij boven de 3.000m gevlogen werd.

Het totaal aantal gebouwde T.31's die ook werkelijk gevlogen hebben zal rond de 200 hebben gelegen, dat is ongeveer net zoveel als de T.21's.
Een interessante variant op de T.31 is de T.35 Austral. Deze werd ook op Kirbymoorside gebouwd speciaal voor een Australische zweefvliegclub. De spanwijdte werd vergroot naar 15,64m en  het richtingsroer werd vergroot. De beide cockpits werden door de lokale bouwers voorzien van cockpitkappen.

(Met dank aan Martin Simons' boek Slingsby Sailplanes)